De blaasslak: een echte algenetende slak
F. MattierDelen
1 – Hoe herkent men de blaasslak?
Vroeger Physa marmorata genoemd, is haar nieuwe naam Stenophysa marmorata.
De blaasslak is een heel mooi klein waterslakje dat niet groter wordt dan 1 cm. Slechts enkele zeer zeldzame “reuzen” worden groter dan dit. Om de blaasslak te onderscheiden van haar verwant, de blaasbloemslak, moet je naar haar schelp aan de achterkant kijken: als je ziet dat deze met de klok mee draait tot aan de punt, dan is het een blaasslak. De blaasbloemslak draait juist tegen de klok in.
Wanneer ze groeit, onderscheidt de blaasslak zich ook door het verschijnen van vlekken of marmeringen in alle tinten bruin, vandaar haar wetenschappelijke naam.
De blaasslak is “longdier”, dat wil zeggen dat ze aan de oppervlakte ademt en niet onder water zoals vissen, en ze heeft geen verstevigd dekschild om zich te beschermen wanneer ze zich terugtrekt in haar schelp, in tegenstelling tot de melanoïde.
2 – Wat eet de blaasslak?
De blaasslak is vooral algenetend. De basis van haar voeding, vanaf het moment dat ze uit het ei komt, zijn algen. Buiten algen eet ze alleen afbrekend weefsel (dode planten of resten van dieren), en zelfs bacteriën. Dat maakt haar zo leuk: haar onweerstaanbare manier om op haar rug aan de oppervlakte te zwemmen stelt haar eigenlijk in staat om zich te voeden met de laag bacteriën en algen (de “biofilm”) die zich vormt aan het wateroppervlak.
Om de blaasslak een gezonde plant te laten aanvallen, moet ze echt niets anders kunnen vinden. Dat maakt haar zo populair in zowel aquarium als vijver, omdat ze haar plantaardige dieet beperkt tot algen en dood of ziek weefsel!
3 – Hoe plant de blaasslak zich voort?
Zoals veel slakken is de blaasslak tweeslachtig: ze draagt beide geslachten. Ze paart dus met elk ander individu, waarbij ieder de eieren van de ander bevrucht!
Maar ze kan ook, als ze lange tijd geen partner vindt, terugvallen op parthenogenese: ze geeft dan nakomelingen zonder te paren. Dit betekent dat één enkel dier, in een aquarium, na een lange wachttijd, zich kan voortplanten en zo de ruimte kan bevolken.
De blaasslak is zelfs het eerste dier ter wereld waarbij men “castrerende” genen heeft ontdekt die bij sommige dieren het mannelijke deel onvruchtbaar maken, waardoor ze zuivere vrouwtjes worden.
De eieren van de blaasslak zitten in een doorzichtige “gelei” die aan een willekeurige ondergrond vastzit. Na verloop van dagen verschijnen de witte embryo’s en komen ze uit. Ze worden pas later bruin en eten algen vanaf het moment dat ze uitkomen.
4 – Hoe huisvest je ze?
In vijvers leeft de blaasslak zonder problemen en overwintert zelfs zonder moeite. Haar populatie past zich vanzelf aan de beschikbare algen aan. Haar kleine formaat stelt haar in staat om alle hoekjes te bereiken, maar maakt haar ook soms tot een maaltijd voor een grote vis of een amfibie.
Omdat de blaasslak in de natuur gastheer is van bepaalde parasieten en ziekteverwekkers die vissen kunnen aantasten, wordt het afgeraden om dieren uit je vijver in een aquarium te plaatsen.
Aquazolla kweekt de blaasslakken zonder contact met vissen gedurende meerdere generaties om dit risico te vermijden.
In een aquarium kent ze geen winter en leeft ze het hele jaar door in hetzelfde ritme. Ze eet algen, maar ook elk kadaver of voedselafval dat je over het hoofd hebt gezien. Zo wordt ze de gezondheidsverzekering van het aquarium.
Voer haar niet apart, want dan verliest ze deze eigenschap.
Denk er ook aan haar niet in een aquarium te houden waarvan het wateroppervlak dicht bij de rand is. Ze heeft namelijk, net als de blaasbloemslak, de gewoonte om af en toe uit het water te kruipen en kan dan ontsnappen zonder enige overlevingskans.
Tot slot is de blaasslak een van de weinige slakken die zeer zacht, zelfs zuur water verdragen, hoewel ze natuurlijk de voorkeur geeft aan water met meer mineralen voor haar schelp.
5 – Vervuilt de blaasslak het aquarium?
Als je haar niet voert, vervuilt ze het aquarium helemaal niet: ze recyclet alleen stoffen die al in het aquarium aanwezig zijn en draagt zo bij aan de kringloop van afvalstoffen. Haar uitwerpselen bevatten alleen stikstof en fosfor die ze uit de algen heeft gehaald en niet van buiten het aquarium! En de aquarianen geven meestal de voorkeur aan een slakkenkeutel die hun planten voedt boven een alg!
De blaasslak is dus een strikte “detrituseter”, die voortdurend stoffen recyclet die al in het ecosysteem aanwezig zijn, zonder er ooit nieuwe van buitenaf aan toe te voegen.

6 – Hoe beperk je de populatie?
De blaasslak is klein. Dat is haar charme, maar het maakt het vangen lastig en tijdrovend als ze te talrijk wordt.
Onthoud eerst dat haar populatie toeneemt als de algen en voedselresten toenemen. Ze is slechts het symptoom, en zelfs het middel!
Als je de aanvoer van buitenaf beperkt (vooral visvoer), zal ze dus minder aanwezig zijn.
De introductie van glossifoniden (kleine onschuldige bloedzuigers) kan hun aantal beperken, omdat ze zich op de kleintjes storten. Maar dit blijft een zeer gematigde predatie, en sommige glossifoniden kunnen soms, bij gebrek aan beter, ook de Zwarte slibworm, zelfs garnalen en waterpissebedden belagen.
Maar in een natuurlijk aquarium zijn deze cycli van gematigde predatie tussen verschillende beestjes ook een beetje wat men zoekt, nietwaar?



6 opmerkingen
merci bonnes information sur ce charmant petit escargot!!!
Merci pour cet excellent article que j’ai lu avec plaisir !
Merci pour cet excellent article que j’ai lu avec plaisir !
J’adore les physes : petites, jolies et si utiles et discrètes ! J’en mets partout (aquariums, bassins) et elles ne prolifèrent jamais chez moi, contrairement aux envahissants planorbes (mais jolis et utiles aussi) qui me bouffent régulièrement des plantes saines et peu d’algues… Je ne comprends pas leur mauvaise réputation !
Super article qui permet de réhabiliter la physe. Pendant de longues années Jean Artaud écrivait dans la revue Aquarium Magazine que la physe ne servait à rien en aquarium et qu’il valait mieux s’en débarrasser au profit des mélanoides et planorbes. Ce que je faisais avant de connaître poubellarium et Aquazolla.
A noter ( rien à voir avec l’article ) les melanoides ayant une coquilles très dures m’ont flingué pas mal de rotors de pompes maxijet. Au départ j’ai pensé à une fragilité du rotor mais les collègues du club aquariophile n’avaient pas de soucis avec ces mêmes pompes.